Tijdrit

De heldin van Immenberg

Op dit moment heeft het boek Tijdrit nog geen officiele cover omdat het nog op de slush pile ligt bij een aantal uitgeverijen. De eerste ronde is het helaas niet doorgekomen, mijn hoop is nu gericht op de tweede ronde van uitgevers. Mocht dit niet lukken dan ga ik het boek in eigen beheer uitgeven.

Susanne de Jonghe mag als enige vrouw starten in de tijdrit van de Tour de France. Na het winnen van een YouTube-wedstrijd wordt ze opgenomen in het team van een van Nederlands beste tijdrijders: Scott Peeters. Deze valt als een blok voor de snelle amateur, maar wil haar liever haten. Ze probeerde het leven te redden van zijn vriendin, maar faalde. Sindsdien doet hij er alles aan om haar te vermijden. Het lot brengt hen samen, hoewel geholpen door een ploegleider met een dubbele agenda. Beiden proberen in deze Ronde van Frankrijk het leven letterlijk weer op de rit te krijgen, maar het verleden is sneller dan zij en haalt hen genadeloos hard in. 

Preview – eerste drie hoofdstukken

  Susanne – Tijdrit

Focus, Susanne, focus.
Het is alsof iemand, zonder dat ik het zag, mijn benen met kerosine heeft overgoten en daarna in brand heeft gestoken. Eerst was het nog een stekende pijn in mijn bovenbenen, maar langzaamaan is dat overgegaan in een allesoverheersende vlammende pijn die zich steeds verder uitbreidt door mijn benen. De druk op mijn borstbeen lijkt toe te nemen, mijn longen lijken te branden en ik hoor mijn eigen piepende ademhaling boven het suizen van de wind uit komen.
Je rijdt op het randje.
Zo moet het voelen op het moment dat je longen op ontploffen staan en ik probeer wanhopig elk kleine beetje zuurstof dat ik kan pakken gulzig in te ademen. Ik moet mijn longen ervan blijven voorzien, maar het is zo moeilijk dat het bijna onmogelijk lijkt. Bij iedere inademing moet ik de neiging onderdrukken meteen weer uit te ademen. De smaak van bloed vult mijn mond en lijkt het maar zo of voel ik letterlijk mijn longblaasjes knappen? Op het scherpst van de snede, volledig in het rood, dender ik hier over het grijze asfalt dat steeds zwarter lijkt te worden. Ik heb geen idee hoe het voelt als je gemangeld wordt in een enorme pers, maar ik heb zo’n idee dat dit er behoorlijk op lijkt. Gaat dit intense rotgevoel voorbij op het moment dat ik stop? Ooit?
Verdorie Suus, niet zeuren! Fiets gewoon door, het is voorbij voor je het weet.
Het is heel verleidelijk om een tandje terug te schakelen, om gewoon iets minder kracht op de pedalen te zetten, maar dat wil ik niet.
O, echt wel leugenaar!
Mijn hoofd wil duidelijk iets anders dan mijn hart en ik laat dat vervelende stemmetje in mijn hoofd, dat volledige controle wil, er niet voor zorgen dat ik ook maar ergens steekjes laat vallen. Althans, dat is de bedoeling, maar het blijft zeuren en zeuren en zorgt er toch voor dat ik me niet volledig kan concentreren. Als dit al zoveel pijn doet, hoeveel meer pijn kan het dan nog gaan doen? Kan ik dat aan? Mijn benen laat ik draaien en ondanks alles schakel ik toch weer bij op het rechte stuk. De mensen langs de weg roepen mijn naam, schreeuwen naar me dat ik door moet gaan.
Alsof er een andere optie is.
Ze roepen dat ik het kan en juichen nog harder.
Het geeft me energie, ondanks het gevoel vanbinnen volledig kapot te gaan. Hier heb ik controle over, hoe vreemd het ook klinkt. Ik ben bereid tot het gaatje te gaan en dan nog iets verder. Ik wil dit goed doen. Ik moet dit goed doen. Ik ben bereid om zo ver te gaan dat ik straks aan de finish geen stap meer kan verzetten. Dit gaat zoveel verder dan een voorbeeld zijn voor vrouwen en meisjes. Het zal ze niets uitmaken of ik er nu tweeëntwintig minuten of tweeënveertig minuten over doe.
Nou Susanne, niet liegen nu. Dat is onzin en dat weet je, tijd is wel degelijk van belang.
Toch doe ik het niet voor hen, ik doe het helemaal voor mezelf. Het is zwaar, maar het voelt tegelijkertijd aan alsof ik onoverwinnelijk ben. In de laatste paar kilometer ben ik gaan begrijpen wat de noodzaak van Lukas was om altijd maar door te gaan. Voor heel even begrijp ik waarom hij werkelijk alles overhad voor die progressie waar hij altijd naar op zoek was, die honger naar steeds beter presteren. En op dit moment heb ik het gevoel de hemel aan te kunnen raken en zijn hand te kunnen pakken. Voor heel even voel ik me dichter bij mijn overleden echtgenoot dan ooit tevoren en voel ik tegelijkertijd iets in mijn lichaam en geest veranderen. Het is er maar heel even, maar het gevoel is heel duidelijk: ik vergeef het Lukas.
Nooit meer zal ik zo hard fietsen als ik nu doe, nooit meer zal ik dat durven.
In de ploegleiderswagen achter me zitten ploegleider Ramon en tijdritspecialist Scott.
‘Susanne lieverd, luister naar me. Ik weet dat ik de afgelopen minuten als een idioot tegen je heb zitten schreeuwen en ik weet dat ik je keer op keer heb gezegd dat je moet doorgaan en dat je sneller en sneller moet. Maar luister naar me meisje, ik wil nu dat je het rustiger aan doet.’
Ik schud mijn hoofd in de wetenschap dat hij dat kan zien. Naast me rijdt een motard met cameraman en ik weet dat Ramon die beelden rechtstreeks kan zien in zijn auto. Natuurlijk weet ik dat hij gelijk heeft en ik weet ook niet precies waarom ik zijn order niet kan opvolgen, dat heb ik immers de rest van de rit ook netjes gedaan. Nee, ik rij stug door, ook al doet alles in mijn lichaam godsgruwelijk veel pijn en probeer ik te visualiseren dat ik geen longen meer heb, zodat ze ook geen pijn doen.
‘Verdomme nog eens aan toe, Susanne de Jonghe, hij heeft gelijk.’ De stem van Scott buldert door mijn oortje en ik schrik er zo erg van dat ik aan mijn stuur ruk. De fiets slingert gevaarlijk opzij en ik vloek hardop.
‘Toen ik tegen je zei dat je je moet focussen en je best moest doen bedoelde ik niet dat je jezelf bijna dood moet rijden. Zo belangrijk is het allemaal niet.’
O, zo belangrijk is het allemaal wel, vriend.
Heb ik eindelijk dat moment gevonden waarop ik nergens anders aan denk wordt het bruut verstoord. Zal ik het oortje uit mijn oor trekken? Waarom zou ik luisteren naar een man die ik eigenlijk niet echt ken?
Omdat hij belachelijk goed kan tijdrijden en jij niet!
Dat verrekte rotstemmetje in mijn hoofd blijft me maar lastigvallen en ik haat het dat het gelijk heeft. Natuurlijk heeft het gelijk! De vermoeidheid zit in mijn hele lichaam en ik merk dat het ook mijn brein beïnvloedt. De bochten ben ik wonderwel goed doorgekomen en nu hoef ik alleen nog maar op mijn fiets te blijven zitten om heel dicht bij de voorspelde tijd van Scott te komen. Ja, ik voel aan mijn lichaam dat het me gaat lukken. Alleen een klein probleempje: die onzichtbare muur waar ik doorheen moet rijden wil maar niet splijten. Het is alsof het gemaakt is van gewapend beton. De man met de hamer was ik al eerder op het parkoers tegengekomen, maar die heb ik een rotschop gegeven. Deze muur is andere koek. Mijn Garmin geeft aan dat ik er twaalf kilometer op heb zitten. Nog maar twee te gaan.
Hoezo, maar twee? Het zijn twee hele lange kilometers.
‘Kom op Susanne, je hebt zuurstof nodig om verder te kunnen, je moet het nu echt iets rustiger aan gaan doen.’
Ik wil hem vragen hoe hij in vredesnaam weet dat ik een zuurstoftekort heb en wil naar mijn shirt grijpen om in de microfoon te spreken.
‘Laat dat!’ blaft hij in mijn oor.
Okééééé…
‘Sorry,’ volgt vrijwel direct, maar ik begrijp de boodschap.
Nog anderhalve kilometer.
Focus, Suus. Focus!
Nog een kilometer, de rode vod.
God, het brandt als de hel!
Nog een halve kilometer.
Je.
Nog tweehonderdvijftig meter.
Gaat.
Nog honderd meter.
Dood.
De finish.
You freaking did it!

Voor de tijdrit

  Susanne – Perfecte imperfectie

De liefde voor de Tour de France zit diep verankerd in mijn genen. Het begon allemaal op de Champs-Élysées, tijdens de laatste Touretappe in het jaar 1979. Mijn moeder noemde hun ontmoeting het lot en vertelde me als klein meisje dat het in de sterren geschreven stond dat zij elkaar zouden ontmoeten op die belangrijke plek. Het was het jaar dat de Fransman Bernard Hinault niet alleen als eerste over de streep kwam in de laatste etappe, maar ook gehuldigd werd als winnaar van het geel. Veel sneller dan de bedoeling was bleek ze zwanger van mij te zijn, maar het voordeel was dat ik werd geboren in het jaar dat Nederland zijn laatste tourwinnaar huldigde: Joop Zoetemelk.
Mijn vader moet dan ook wel de allergrootste wielerfan ter wereld zijn en hij werd heel uitbundig toen ik hem vertelde dat ik ga meedoen aan de Tour de France.
‘Het is maar een ritje op een fiets, hoor,’ sputterde ik nog tegen, vooral om de druk er een beetje vanaf te halen, maar hij vond dat ik het als een ‘bijzonder, ontzaglijk, gigantisch, megagrote eer’ moest zien. Bij het zoveelste synoniem kapte ik hem maar af.
‘Dat doe ik ook wel, pap,’ zei ik tegen hem, ‘maar toch zie ik ertegen op. Wat moet ik nou als vrouw tussen al die mannen? Ze zijn zo waanzinnig veel sneller dan ik.’
Ik weet dat het een onzinnige vraag is en deze mogelijkheid is zo uniek dat ik mezelf helemaal niet hoef te meten met de mannen. Nog nooit eerder startte er een vrouw in de Ronde van Frankrijk mét de mannen en dat zal waarschijnlijk ook nooit meer gebeuren.
Mijn vader schudde zijn hoofd en zei: ‘Zo moet je dat niet zien lieverd. Mannen zijn mannen en vrouwen zijn vrouwen. Je moet jezelf niet gaan vergelijken met mannen, dat kan niet. Wat jij moet doen is je eigen race rijden.’ Hij sloeg me op mijn schouder en terwijl hij naar de racefiets in zijn werkplaats liep riep hij nog tegen me dat het absoluut geen zin had om me er nu al druk om te maken. Hij riep ook nog dat ik het per slot van rekening aan mezelf te danken had en dat ik vooral niet moest zeuren. Wat ik beter kon gaan doen was me erop verheugen en zo goed mogelijk mijn best doen om in de weken met een trainer nog beter te worden.
Thanks pa, dacht ik nog, maar ik wist dat hij gelijk had. Het was een kans uit duizenden. Letterlijk.
Een week na de bekendmaking van de uitslag van de YouTube-wedstrijd nam een Nederlands wielerteam contact met me op en voor ik het goed en wel besefte had ik een personal trainer, Jasper, die me sneller zou gaan maken.
In het begin liep het contact naar mijn idee wat stroef, maar inmiddels ben ik op een punt beland dat ik hem maar wat graag mee naar huis zou nemen na de tijdrit. Hij is echt geweldig!
Ooit was hij de beste tijdrijder van Nederland, totdat hij een ernstig ongeval kreeg waarbij hij zijn rug brak. En hoewel hij inmiddels weer belachelijk hard kan fietsen is een profcarrière als wielrenner voorgoed uitgesloten. Als verzorger doet hij het echter geweldig in hetzelfde team en ook al is dat nooit zijn droombaan geweest, hij is nog steeds veel op weg met de renners en daar is hij dankbaar voor. Mij heeft hij de afgelopen maanden geholpen om sneller te worden. Dat was overigens geen enkel probleem, want zijn mond werkt nog prima en er zijn al heel wat momenten geweest waarop ik hem voorgoed het zwijgen wilde opleggen. ‘Alles voor een geweldig eindresultaat’ is zijn devies, maar zijn alles en mijn alles verschillen toch iets van elkaar.
Met nog een week te gaan, voor de tijdrit begint, begin ik toch wat nerveus te worden. Het feit dat ik nu voor het hotel sta waar ik het team ontmoet dat naar de Tour gaat, maakt het niet beter. Om heel eerlijk te zijn: de zenuwen gieren door mijn keel en ik heb buikpijn. Daarbinnen zitten de mannen die ik het hele jaar door volg tijdens de uitzendingen op televisie of internet. Dit zijn de mannen tegen wie ik opkijk. Dit is het team waarin ik hoopte terecht te komen en ik sta op het punt ze in het ‘wild’ te zien. Hoe moet ik in vredesnaam zelfs een simpel Hello uit mijn mond krijgen?
De deuren gaan open en ik loop naar de kamer waar ik met Ramon heb afgesproken. Zoekend kijk ik om me heen en dan zie ik een smalle hal naast de liften. Daar moet ik in en dan is rechts van me de kamer met nummer 13 op de deur.
Als dat maar goed komt… Bijgelovige kip.
Ik breng mijn hand naar de deur en adem nog een paar maal diep in en uit. Precies op het moment dat ik de moed heb verzameld om aan te kloppen hoor ik een diepe mannenstem zeggen: ‘Hij gaat echt niet open door een diepe zucht. Kloppen helpt over het algemeen beter.’
Mijn hart gaat sneller slaan en ik zweer dat ik een paar centimeter van de grond kom van schrik. Als ik achteromkijk zie ik twee sprankelende, hazelnootkleurige ogen met daarboven volle wenkbrauwen in een strakke lijn. Eronder een brede, maar niet al te grote neus en twee redelijk volle lippen met bovenop een litteken. Rond die lippen een grote grijns. Zijn lippen wijken iets en ik zie zijn gebroken voortand. Perfecte imperfectie.
Mijn hart lijkt een extra slag te maken en ik vraag mezelf onbedoeld af of ik verliefd op hem zou kunnen worden.
Waaaat? Waarom? Waar komt dat vandaan?
Mijn brein moet wel helemaal van het padje zijn, want ik zou niet weten wat ik moet met een man die ik niet eens ken en die ook nog eens volgens een groot deel van de Nederlandse en Vlaamse vrouwen perfect is. ‘Een mooie man heb je nooit alleen voor jezelf,’ zegt mijn oma altijd en ik weet dat ze gelijk heeft. Toch voel ik mijn wangen warmer worden en ik probeer uit alle macht zijn blik te ontwijken. Het mislukt. Wanneer ik nogmaals in zijn ogen kijk zie ik zoveel meer dan alleen een mooie man en ik schrik ervan. Ik heb even de tijd nodig om mezelf te herstellen en weer helder te denken, maar die kans krijg ik niet, want de deur gaat abrupt open en ik hoor een bekende stem zeggen: ‘Ik dacht al stemmen te horen aan de andere kant van de deur. Blijf daar niet zo staan, kom toch binnen jongens.’
Hij pakt Scott bij zijn schouder en trekt hem zacht maar dwingend de kamer in met de directe opdracht om voor ober te spelen. Daarna kijkt hij met een stralende lach naar mij en terwijl hij zijn grote stevige hand in de mijne legt zegt hij: ‘Susanne. Ik herkende je stem. Wat zie je er wondermooi uit!’ Zijn laatste woorden vleien me.
Ramon hoeft zichzelf eigenlijk niet voor te stellen, de afgelopen weken heb ik veelvuldig met hem gesproken aan de telefoon en ik herken zijn zachtaardige stem. Geheel onverwacht geeft hij me een dikke knuffel. Zijn lieve karakter en zijn openheid zijn misschien wel de reden waarom het hem toch is gelukt om me over te halen om de tijdrit te rijden.
‘Ik kan nog steeds niet geloven dat je me dit echt laat doen Ramon, ik ben je echt ontzettend dankbaar. De afgelopen weken waren geweldig met Jasper. Mijn snelheid is enorm toegenomen, ik heb veel meer zelfvertrouwen in de bochten en ik heb zelfs het vertrouwen in een goede afloop, hoewel ik nog altijd niet begrijp waarom juist ik heb gewonnen. Wie ben ik nou? Ik weet dat ik zelf heb meegedaan, maar ik had nooit verwacht dat ik ook daadwerkelijk zou winnen.’
Ramon grijnst naar me. ‘Noem me een idioot, maar ik zie graag een doodgewone, doorsnee vrouw aan de start. Iemand die niet de kneepjes van het vak kent, die niet de regels van het wielrennen beheerst, die geen licentie heeft en niet in het keurslijf zit van wedstrijden rijden en continu moeten presteren. Nee, ik wil een vrouw die ik gaandeweg het parkoers kan zien veranderen van een gewone vrouw in Superwoman. Kleine meisjes, jonge vrouwen, oudere vrouwen: iedereen moet zien dat alles mogelijk is, zelfs wanneer je een vrouw bent. Vooral wanneer je een vrouw bent! Het enige wat je moet doen is erin geloven.’
Hij herhaalt een aantal van de redenen die ik benoemde in mijn strijd om de tijdrit, dus wat moet ik daar dan nog op zeggen? Ik weet heus wel dat ik niet langzaam te noemen ben, maar voordat Jasper met me ging trainen had ik wel wat last van angst op de weg. Vooral in bochten was ik nog wel eens bang. Vroeger heeft Lukas me wel uitgelegd hoe je ze moet aansnijden, maar het interesseerde me nooit zoveel. Als ik er maar gewoon doorheen kom vind ik het wel prima, dacht ik altijd, maar inmiddels weet ik wel beter. Jasper heeft me niet alleen van mijn angst voor de bocht af geholpen, maar hij heeft me ook een betere techniek aangeleerd en me daadwerkelijk sneller gemaakt. Ik kan mijn energie efficiënter gebruiken en weet nu hoe ik mijn snelheid op het rechte stuk beter kan vasthouden.
‘Is Jasper goed voor je geweest, Susanne?’
Ik schrik op en glimlach breeduit naar Ramon. ‘Jazeker. Hij was gelukkig heel geduldig met me.’
Aan de andere kant van de kamer hoor ik een lach, die vrijwel direct overgaat in een kuch. Lacht Scott me uit? Ik doe erg mijn best om mijn gedachten te houden bij de aardige knappe vijftiger voor me die me geïnteresseerd aankijkt en me steeds vragen stelt, maar op de een of andere manier kan ik gewoon niet voorkomen dat ik continu met mijn gedachten terug dwaal naar een andere tijd. Een van de overblijfselen van Immenberg. Sinds de die zwarte dag, bijna een jaar geleden, kan ik me maar moeilijk concentreren. 
De afgelopen weken had ik het gevoel eindelijk weer ergens voor te kunnen leven. Voor het eerst waren de grote demonen, voor wie ik al zo lang op de vlucht ben, verdwenen en lieten ze me met rust. De nachten waren ineens minder lang, want ik wist dat ik de volgende dag weer hard aan het werk kon voor iets wat veel groter was dan mijn angst en verdriet.
Earth calling Susanne,’ hoor ik een stem in mijn oor fluisteren. Hij is zo dichtbij dat ik zijn adem in mijn nek voel. Een rilling trekt door mijn lijf, maar ik ben er niet zeker van of het wel de angst is die ik gewend ben. Ik hef mijn hoofd naar hem op, weer is daar die prachtige grote grijns die ik niet begrijp. Is hij nu met me aan het flirten of lijkt dat maar zo? Snel kijk ik van hem weg en ik voel me betrapt wanneer ik zie dat Ramon naar ons kijkt met een nauwelijks waarneembare glimlach rond zijn lippen. Hij wijst een stoel aan en zegt me te gaan zitten. Het komende uur hebben we nog heel veel met elkaar te bespreken en het is duidelijk dat hij wil beginnen. Mijn demonen zullen even naar de achtergrond moeten verdwijnen en ik moet me concentreren op zijn verhaal. Dat zou gemakkelijker zijn als de mooiste sporter van Nederland en Vlaanderen, tevens een van de beste tijdrijders van Nederland, niet zo dicht bij me zou zijn. Ik voel me heel klein en nietig naast hem en hij maakt me te nerveus. Er is iets met hem en ik kan het niet plaatsen.

Scott – Mooiste mannelijke sporter van het jaar

Susanne de Jonghe, wat een fascinerende vrouw is ze toch. Dat vind ik overigens niet alleen omdat ik weet dat zij in staat is om iets te doen wat het gros van de mensen nooit zal kunnen, maar er is ook iets met haar wat ik niet kan benoemen. Een deel van me wil zo dicht mogelijk bij haar zijn, met haar praten en haar aanraken. Een ander deel wil vooral zo ver mogelijk bij haar wegblijven, want mijn geheim zal niet langer geheim blijven als ze zo dicht bij me zal blijven. Op een dag zal ik moeten spreken.
De komende tijd zal ze vast onderdeel zijn van ons team, zo heeft Ramon het geregeld. Ze eet bij ons aan tafel, traint met ons mee en slaapt bij ons in het hotel. De komende tijd kan ik haar niet ontlopen. Die wetenschap knaagt al weken aan me als een rat aan een stroomkabel: onvermijdelijk pijnlijk, Susanne de Jonghe en Scott Peeters zullen de komende tijd tot elkaar veroordeeld zijn. Het zou een prachtige koptekst zijn voor een volmaakt roddelverhaal.
Als ik haar vraag wat ze wil drinken zegt ze met hese stem: ‘Plat water graag.’ Ze kijkt me met een open en vriendelijke blik aan. Op mijn hakken draai ik me om en loop ik naar de kleine bar, ik adem ondertussen een paar maal diep in en uit en pak een glas uit de kast.
Waarom is ze zo verdomd sexy?!
Mijn handen trillen een beetje als ik terugloop en als Susanne het glas van me aanpakt raken haar vingers de mijne. Het gevoel dat het teweegbrengt is zo overweldigend dat ik het glas bijna uit mijn handen laat vallen. Ze voelt het en snel omklemt ze met de vingers van haar andere hand de mijne. Nogmaals dat gevoel en onze ogen ontmoeten elkaar. De hare zijn prachtig felblauw en lijken letterlijk te stralen. Het licht in deze kamer is prachtig en in haar ogen lijken sterren te fonkelen. Een warmte strekt zich uit in mijn borstkas, het is bijna alsof haar ogen onzichtbare gaten branden in mijn lichaam en hun weg vinden naar mijn ziel, mijn gebroken ziel. Om haar lippen vormt zich een kleine glimlach, alsof ze wil zeggen dat het niet erg is dat ik zo onhandig ben. Het is niets voor mij en ik hou al helemaal niet van het gevoel dat dit stuntelige gedoe teweegbrengt. Het is alsof ik een zestienjarige puber ben en ik schaam me kapot.
Als ik opzij kijk naar Ramon trekt hij zijn wenkbrauw naar me op alsof hij wil weten wat er met me aan de hand is. Kon ik hem maar vertellen waarom ik zo uit mijn doen ben, maar ik wil niet dat hij weet wat Susanne en mij aan elkaar verbindt.
Zoals gewoonlijk herstel ik mezelf snel en schuif ik een onzichtbaar masker voor mijn gezicht; ik word er steeds beter in. Soms gebeurt het zelfs zonder dat ik het doorheb, dan kom ik er pas later achter dat ik niet volledig mezelf was. Sinds de dood van Marlon draag ik dit masker steeds vaker, vooral bij vrouwen.
Eind vorig jaar werd ik uitgeroepen tot aantrekkelijkste mannelijke sporter van het jaar, juist dat jaar waarin ik alles verloor waar ik van hield. God, ik haatte alleen al die nominatie en ik wilde absoluut niet naar dat gala toe; ik had daar helemaal niets te zoeken. Nee, als er iets was waar ik niet over peinsde om naartoe te gaan dan was het dat wel. Maar de dames van het tijdschrift dat me misschien zou uitroepen tot Mooiste Mannelijke Sporter van Nederland en Vlaanderen hebben me met paaiende woorden alsnog naar Theater aan het Vrijthof gelokt en voor ik het goed en wel besefte stond ik op het podium te kijken naar honderden vrouwen in de zaal voor me. Tijdens een eindeloos lang durende toespraak boordevol complimenten kon ik alleen maar, in een herhaald patroon, blijven denken: ze moeten toch allemaal eens weten, ik ben bij lange na niet zo perfect als ze denken. Het enige wat zij zien is de buitenkant, maar ik ben zoveel meer dan dat. De buitenkant ziet er volgens hen weliswaar perfect uit, maar de binnenkant is zo ontzettend waardeloos. Het is het ernaar kijken niet eens waard. Ik wilde het wel uitschreeuwen van frustratie, maar ik liet het gelaten over me heen komen. Ik zette het masker op en luisterde naar hun gelul.
Na de korte geïmproviseerde speech vanuit mijn kant, want ik had serieus niet verwacht dat ik zou winnen, verontschuldigde ik me en ben ik gewoon vertrokken.
Urenlang liep ik met het sneue stukje metaal door de stad en het had niet veel gescheeld of ik had het vanaf de Wilhelminabrug in de Maas gegooid. Ik was alleen. Ik was intens verdrietig. Ik voelde me machteloos. Maar vooral voelde ik me nijdig dat ik hier niet gewoon keihard om kon lachen met Marlon.
Niet veel later belandde ik in de kroeg en dronk daar één biertje dat heel erg verkeerd viel. Hoe ik die avond weer bij mijn auto ben gekomen en naar huis ben gereden weet ik niet, maar ik heb het overleefd. Wat ik nog wel weet is dat ik daar niet eens opgelucht over was.
Al bijna een jaar lang wring ik me in allerlei bochten om maar niet te laten merken met welk verdriet ik moet dealen, terwijl mijn gevoel me zegt dat ik van de daken moet schreeuwen welk groot onrecht me is aangedaan. Niet alleen ben ik mijn beste maatje verloren, maar ze was de liefde van mijn leven en droeg ons kleine meisje.
Ik hoor gekuch en zie Susanne met een bezorgde blik naar me kijken. Ik herken die blik. Van Marlon, van mijn zus en van mijn moeder. Het is die verdomde vrouwenblik. De blik die laat merken dat ze weten dat er iets met ons is en dat we nog zoveel onzinverhalen kunnen vertellen, maar dat ze er niet in trappen. Daarom draai ik me van haar af en loop ik naar de andere kant van de kamer waar ik de kraan opendraai om een eigen glas met koud water te vullen. Tijdens het wachten kan ik niet voorkomen dat ik opnieuw denk aan het verleden.
Tijdens dat gala wilde ik het wel uitschreeuwen van de pijn en ze alles vertellen over het feit waarom ik er alleen was, maar ik deed het niet. Niemand vond het vreemd dat ik zonder vriendin aankwam, want het was alom bekend dat ik haar nooit meenam naar publieke bijeenkomsten, vooral niet als de pers er ook aanwezig was. Dat was maar deels mijn idee; mijn narcistische schoonvader wilde niet dat de wereld kon zien dat de dochter van een alom gerespecteerd advocaat iets had met een fietser, een knecht nota bene. Een man die buiten de spotlights rijdt in dienst van een ander en volgens zijn zeggen zelfs geen naam mag hebben. Hij vond dat fietsen voor geld belachelijk. Een man moest werk hebben dat aanzien had. Niet een beetje rondjes rijden en aanlummelen. In zijn ogen kon ik maar weinig goed doen.
‘Het is zijn bekrompenheid, Scott,’ zei Marlon altijd en hoewel ik weinig waarde hechtte aan de mening van die narcistische klootzak trok ik het me soms toch aan. Al was het alleen maar omdat ik zoveel meer had willen bereiken. Vlak voor het moment dat ik afscheid nam van het profwielrennen stond ik op het punt om kopman te worden voor de volgende Ronde van Frankrijk, maar dat heb ik Marlon nooit verteld. Op mijn verzoek is het ook nooit aan de pers openbaar gemaakt, want op het moment dat ik mijn carrière naar een hoger level kon brengen besloot ik te stoppen. Ik moet heel eerlijk toegeven dat mijn weloverwogen beslissing op dat moment op een zeer wankel evenwicht stond en dat ik er serieus over nadacht om het bespreekbaar te maken bij Marlon, maar ik wilde haar niet opzadelen met een immens schuldgevoel. Was het eindelijk zover dat ik kon doen waar ik al jarenlang van droomde moest ik het alsnog opgeven voor een andere droom. Ramon weet wat er met Marlon is gebeurd en hij weet hoe allesvernietigend het voor me was, maar hij weet niet dat Susanne verweven is met mijn ellende.
‘Blijf je daar de hele dag zo staan, Peeters?’
Ik draai me om en grijns naar Ramon. ‘Ik vind het wel interessant hier.’
‘Interessanter dan bij ons?’ Ik zie Susanne schrikken als de woorden haar mond verlaten en ze begint te blozen. Lijkt het zo of is ze met me aan het flirten?