Uit liefde voor Charlotte

Dit boek is onder andere te bestellen via Bol.com en alle andere boekhandels. Omdat het een printing on demand is kan de wachttijd oplopen tot iets meer dan een week. Helaas heb ik zelf nog niets op voorraad.

Preview – eerste vijf hoofdstukken

Een

Maart 2003

Volledig moegestreden in deze ongelijke strijd, hoe had ik ooit kunnen weten hoe het zonder jou zou zijn. Dagenlang in een eindeloos refrein.
Annabel staart door het raam. De wereld trekt in een waas aan haar voorbij. Het is vandaag een zonnige dag, af en toe zijn er wel een paar verdwaalde wolkjes, maar over het alge­meen is de lucht strakblauw. De muziek die door haar kopte­lefoon komt, stemt haar droevig. Hoe had ik ooit kunnen we­ten, hoe het zonder jou zou zijn. Dagenlang in een eindeloos refrein. Ze mist Casper, en hem niet alleen. Er is veel gebeurd de afgelopen jaren, haar leven leek een aaneenschakeling van geluk, maar door één fout ogenblik van een ander werd het kapot gemaakt. Net toen ze dacht dat ze het niet meer aan­kon kwam Sven, maar ook hij ging weer. Door haar toedoen. Ze schrikt op wanneer de machinist via de intercom vertelt dat ze binnen enkele minuten het eindstation zullen binnen­rijden. Als ze door het raam naar buiten kijkt ziet ze de vuur­toren al staan. Het duurt nu inderdaad niet lang meer en ze pakt haar spullen alvast bij elkaar. Als de trein stilstaat stapt ze uit en ademt ze diep in. Ze ruikt de zilte zeelucht en hoort de meeuwen krijsen. Ze voelt zich meteen ontspannen. Dit is precies wat ze nodig heeft. Rust in haar hoofd! Natuurlijk is ze hier in eerste instantie gekomen om te werken, maar als ze eerlijk is vindt ze dat ze een geweldige baan heeft.
Annabel werkt voor een tijdschrift dat bijzondere plaat­sen in Nederland uitlicht en daarover artikelen schrijft. Kort door de bocht: Annabel moet uitzoeken wat de leukste win­kels, restaurants, wandelingen, attractieparken, plaatsen en andere bijzonderheden in Nederland zijn. Als haar baas het met haar eens is en het net zo interessant vindt als zij, dan gaat zij of één van haar collega’s naar de desbetreffende be­zienswaardigheid of plaats om daar een uitgebreid verslag van te maken. Hoewel het zo wel heel simpel lijkt, komt er wel iets meer bij kijken. Het gaat in haar geval toch om een baan van 32 uur per week.
Meestal werkt ze vanuit het bedrijf of vanuit huis, maar heel af en toe heeft ze het geluk dat ze op pad mag. Ze rou­leert met meerdere collega’s. Twee van hen zijn vrijgezel en kunnen gaan en staan waar ze willen, maar Annabel moet rekening met haar dochtertje houden. Zij kan niet zomaar weg en daarom is zij vaak degene die op kantoor uitzoekt wat interessant zou kunnen zijn en sluist dat weer door naar haar baas die het vervolgens weer doorsluist naar één van haar collega´s. In dit geval heeft ze gevraagd of ze het zelf mocht doen. Dit is één van haar favoriete plaatsen in Nederland. Ze doet haar rugzak om, maakt hem vast, kantelt haar koffer en begint te lopen. Het is alweer even geleden dat ze het geluid van de wieltjes op asfalt hoorde en het maakt haar vrolijk. Ze heeft er zin in!

Twee

Een uur later heeft ze bij het pension ingecheckt en ligt ze op bed voor zich uit te staren. De eigenaresse herkende haar gezicht nog. Annabel moest haar wel helpen om haar geheugen helemaal op te frissen, maar ze verbaasde zich er wel over hoe goed de eigenaresse hen nog voor de geest kon halen. Jaren geleden heeft ze hier met Casper voor het eerst overnacht. Het is een groot herenhuis en er zijn vijf kamers die verhuurd worden. Annabel heeft ooit gekscherend tegen Casper gezegd dat ze het wel wil kopen als ze bijvoorbeeld met pensioen gaan en het dan af en toe zou willen verhuren aan mensen uit de grote stad die even willen bijkomen van alle beslommeringen. Het had haar romantisch geleken hier hun laatste jaren door te brengen in alle rust en stilte.
Lekker met z’n tweetjes. Annabel slikt. Ze voelt de tranen branden. Het is nu iets meer dan drie jaar geleden, maar het doet nog steeds pijn. Zou het ooit helemaal weggaan? Jaren geleden, toen ze Casper eeuwige trouw beloofde, dacht ze dat „tot de dood ons scheidt” een tijdsbestek van minstens vijftig jaar zou zijn, maar soms brengt het leven je niet wat je graag zou willen.
Ze kijkt op haar horloge, het is al zeven uur! Het is bijna bed­tijd voor Charlotte, dus als ze haar nog welterusten wil wen­sen, moet ze nu toch echt Sanne gaan bellen. Sanne is haar rots in de branding. Zij heeft een paar dagen vrij genomen om op Charlotte te passen, zodat Annabel deze opdracht zelf kon doen. Sanne is dol op Charlotte en die liefde is geheel wederzijds. Elke keer weer probeert Sanne een reden te vin­den om op haar te passen. Annabel is blij dat Sanne en Char­lotte zo goed met elkaar overweg kunnen. Ze kan altijd op Sanne terugvallen als het nodig is. Natuurlijk heeft ze haar ouders ook om op Charlotte te passen, maar ze wil dat ook niet altijd aan ze vragen en daarbij vindt Charlotte het he­lemaal geweldig om bij ‘tante’ Sanne te logeren. Ze gaan ‘s avonds altijd pannenkoeken bakken en lekker opeten terwijl ze ondertussen een tekenfilm kijken. Daarna is er altijd ijs. Annabel kan zich helemaal voorstellen hoe het er nu uitziet in de woonkamer van Sanne. Charlotte die met haar ogen op het televisiescherm gericht af en toe een lepel ijs in haar mond stopt. Gesmolten ijs op haar wang en kin, omdat het over het algemeen naast haar mond gaat in plaats van erin.
Televisie kijken en eten tegelijkertijd is niet Charlottes sterkste punt. Ze voelt ineens een steek van heimwee naar haar kleine meisje. Ze toetst Sannes nummer in op de tele­foon en hoort hoe hij overgaat. ‘Mammaaaaaaaaaa’, hoort ze haar dochter keihard schreeuwen als er opgenomen wordt. Charlotte, denkt Annabel, mijn lieve kleine schat. Het meest waardevolle dat Casper me heeft nagelaten. Ze glimlacht eventjes en zegt dan: ‘Hoi poppetje, hoe is het met je?’

Drie

De volgende ochtend is ze al vroeg wakker. Haar keel doet zeer en haar ogen zijn opgezet van het lange huilen. Na haar telefoontje met Sanne en Charlotte heeft ze nog uren wak­ker gelegen en gepiekerd over Casper en over Sven. Sven was er voor haar toen ze het zó moeilijk had, toen ze het allebei moeilijk hadden en wat heeft zij gedaan? Ze heeft hem aan de kant gezet toen het haar allemaal teveel werd. Ze draait de kraan net ver genoeg open om het water zachtjes te laten stromen, vangt het met haar handen op en brengt het naar haar ogen. Het voelt heerlijk aan op haar verhitte gezicht. Ze staart naar haar spiegelbeeld en gezien het feit dat haar gezicht nu dik en opgezwollen is, vindt ze dat ze er nog ver­rassend goed uitziet. Ze is de afgelopen jaren veranderd van een verlegen, mollige, ontevreden, jonge tiener in een slanke, sportieve, krachtige vrouw, die weet waar ze voor staat. Ze heeft felblauwe ogen en lange donkere wimpers, haar gezicht is iets hoekig en ze heeft donkerbruin licht krullend haar tot op haar billen. Meestal draagt ze het opgestoken, omdat dat nou eenmaal het makkelijkst is met een klein kind, maar nu doet ze het in een vlecht, omdat het tijd wordt voor haar ochtendritueel. Ze gaat op het grote tweepersoonsbed zit­ten en trekt haar sportschoenen aan. Ze is begonnen toen ze graag een paar kilo kwijt wilde raken. In het begin was het moeizaam gegaan, maar na verloop van tijd had ze niet meer zonder gekund. Het zorgt ervoor dat ze alles om zich heen van zich kan afschudden en even aan niets anders hoeft te denken. Ze is eraan verslaafd: de wind door haar haren en het gevoel van snelheid.
Terwijl ze loopt, kijkt ze om zich heen. Dit is een kleine stad met 16.000 inwoners. De huizen in dit gedeelte van de stad zijn wat ouder dan de huizen buiten het havengebied. Daar worden steeds meer nieuwbouwhuizen gebouwd. De jongeren, die eerst weg zijn gegaan om te studeren, komen weer terug wanneer ze wat ouder zijn en Annabel kan ze dat niet kwalijk nemen; het lijkt haar een prachtige stad om te wonen. Ze hoeft nog maar een klein stukje en dan is ze op de dijk aan de Waddenzee. Er zijn al heel wat zeilboten op het water te vinden, ondanks het feit dat het nog erg vroeg is. Het zal vandaag wel weer net zo’n lekkere dag worden als gisteren.
Het is eind maart, maar het lijkt alsof het hartje zomer is. Annabel blijft even over het water turen als ze wat strek-oefeningen heeft gedaan. Negen jaar geleden was ze voor het eerst in deze stad, ze is er op slag verliefd op geworden en die liefde is nog steeds niet veranderd. Het is moeilijk uitleggen wat haar hart veroverd heeft. Misschien het feit dat het een kleine stad is of het feit dat het aan het water ligt. Misschien het feit dat het land hier ophoudt, maar misschien is het ge­woon het feit dat ze hier helemaal tot rust kan komen, on­danks de vele toeristen in de zomermaanden. Het is net als met echte liefde en houden van in menselijke vorm, je weet dat je van iemand houdt, maar om dat in een paar woorden samen te vatten valt niet mee. Er zijn zoveel kleine dingen die ervoor zorgen dat je intens veel van iemand houdt.
Annabel ziet dat de eerste boot al aan komt varen, er zijn zelfs al passagiers aan boord. Ze vraagt zich af of het toeris­ten zijn of eilandbewoners. Zouden er toeristen zijn die al zo vroeg weggaan? Ze kan het zich niet voorstellen, maar wie weet. De boot glimt in het zonlicht en in de mast wappert fier de rood-wit-blauwe vlag van Nederland. Ze zou graag nog blijven kijken, maar het is tijd om verder te gaan. Annabel draait zich om en terwijl ze terug rent vliegen rechts van haar zeemeeuwen op; ze schreeuwen naar haar alsof ze boos zijn dat ze gestoord worden in wat ze doen. Vóór haar liggen de scheepswerven die er verlaten uitzien ondanks het tijdstip. Er liggen een paar boten en een van die boten, een groot pas­sagiersschip, ziet er oud en versleten uit. Na jaren van trouwe dienst ligt het daar alleen te roesten. Geen passagiers meer die over de reling hangen met de wind in hun haren terwijl de zeemeeuwen er omheen vliegen en schreeuwend om aan­dacht vragen. Geen kinderen meer die liefkozend hun hand over de reling heen laten glijden. Geen auto’s die grommend naar binnen rijden en een zucht van verlichting slaken als de deur achter hen dichtgaat. Geen vrolijke mensen op de kade die hem binnenhalen of uitzwaaien.
Nu is het een ander schip dat die eer heeft. En hij ligt hier helemaal alleen. Afgedankt!
Aan het begin van de dijk ligt een stuk strand en er is al een aantal mensen aanwezig. Sommigen zijn aan het vliegeren, anderen aan het badmintonnen; er zijn mensen die niets bij­zonders doen, maar gewoon voor zich uit staren naar het wa­ter; kinderen die met ontblote benen in de branding spelen en gillen omdat het water zo koud is. Ze zijn nu nog warm aangekleed, maar als de zon zich straks een weg heeft ge­baand door de watermassa om hen heen, zal het haar zeker weer lukken de mensen hun kleren uit te laten trekken en haar te smeken om meer. Sommigen zullen het misschien aandurven om zich te laten afkoelen door water. Even snel erin en er meteen weer uit om te voorkomen dat ze het te koud krijgen. Casper vond het heerlijk om te zwemmen in water dat nog niet voldoende was opgewarmd door de zon. Annabel verklaarde hem ook elk jaar weer voor gek dat hij op de eerste dag van het jaar meedeed aan de Nieuwjaarsduik. Hij had haar altijd grijnzend aangekeken. ‘Ik verklaar mezelf ook voor gek, Anna’, zei hij altijd, ‘maar ik vind het heerlijk, de manier waarop elke vezel in je lichaam samentrekt door de kou, de neiging meteen het water uit te gaan, maar er dan toch nog iets langer in blijven. Als je het eenmaal hebt gedaan wil je gewoon nog een keer. Je zou het eigenlijk zelf eens moeten proberen, dan begrijp je wat ik bedoel.’ Steevast antwoordde zij dan: ‘Ik zal me daar gek wezen, laat mij maar lekker toekijken met mijn dikke, warme winterjas aan en een kop hete chocolademelk in mijn handen.’
Ze grinnikt als zijn beeld weer op haar netvlies verschijnt. Klapperend met zijn tanden kwam hij met een grote grijns op zijn gezicht het water uit en zij ving hem op met een handdoek. Zijn ogen straalden dan. Hij genoot ervan, ze zag het aan hem. Hij vond het water heerlijk. En het strand. God, wat was hij dol op het strand geweest! Eigenlijk had hij nooit weg gewild, maar hij had het toch gedaan; voor haar. Hij heeft zielsveel van haar gehouden en er is ook geen dag voorbij gegaan zonder dat hij het haar heeft verteld. Hij liet iedereen van wie hij hield altijd merken dat hij om hen gaf. Hij was ook dol op zijn vrienden Lars en Sven geweest en de vriendschap die ze hadden is ook gebleven nadat hij en Sven allebei een relatie kregen. Twee keer per maand hadden ze een vriendenavond. De ene keer met aanhang, de andere keer zonder. Annabels gedachten gaan terug naar die allerlaatste vriendenavond. Het was er een met aanhang geweest. Tijdens die avond hadden ze de diaprojector van zolder ge­haald. Iedereen had dia’s meegenomen en dat had als resul­taat dat ze allemaal verhalen van elkaar hoorden die ze nog niet kenden.

11 november 1999
‘Waarom ben je eigenlijk nooit teruggegaan naar Noordwijk?
Ik kan me nog herinneren dat je na ons afstuderen me­teen terug wilde. Tenminste, dat heb je al die jaren gezegd.’ Sven keek van de diaprojector naar Casper en weer terug naar het scherm. Daar staat een foto van een superbruine Casper als klein jochie in de zee. Achter hem een oranje zon, in zijn rechterhand een emmertje en in de linker een schepje. Casper haalt zijn schouders op en ik kijk hem van opzij fronsend aan. Ik vraag me af of hij het me nog steeds kwalijk neemt dat hij niet is teruggegaan. We hebben er diverse ruzies over gehad. Nou ja … ruzies. Dat niet echt, maar wel heftige meningsver­schillen. Voor zover ik weet heeft hij het er nooit met Sven over gehad. Maar aan de andere kant: ik vertel ook niet alles wat ik met mijn vriendinnen bespreek. Casper kijkt Sven aan. ‘Ach, wat zal ik zeggen Sven. Soms loopt het leven anders dan je in eerste instantie had verwacht of gehoopt. Het is nu eenmaal zo gelopen en ik ben er blij mee.’ Hij pakt me vast en trekt me naar zich toe. ‘Ik heb een fantastische vrouw en daar heb ik veel voor over. Zelfs de zee opgeven.’ Het lijkt alsof hij er niet helemaal zeker van is of hij het wel meent. Ik weet dat hij de zee nog vaak mist. Helemaal als hij er foto’s van ziet. Eigen­lijk voel ik me nu best wel schuldig en misschien ben ik wel te egoïstisch geweest, omdat ik hem hier wilde houden. Ik wilde mijn leven hier niet opgeven. Mijn ouders, mijn vrienden. Mijn alles eigenlijk. Jeetje, ik denk dat ik inderdaad erg egoïstisch ben, misschien moeten we er vanavond nog maar even echt over praten. Ik kan aan hem zien dat het hem nog erg dwars zit. Ach, en zeg nou zelf, een leven aan de zee is ook wel lekker. Toch? Casper klikt snel door naar de volgende dia. Dat is er eentje van mij als baby. Casper heeft de dia’s zo gerangschikt dat er om en om één dia van hem en dan weer een van mij te zien is. Ik sta er samen met mijn ouders op. Ik ben daar pasgeboren en lig in de armen van mijn zichtbaar trotse vader. Misschien heeft mijn moeder de foto wel gemaakt, want zij staat er niet op. Casper heeft geen babyfoto’s van zichzelf en dat vind ik wel jammer, want ik zou wel willen weten hoe hij er als baby uitzag. Ik ben zo benieuwd of onze baby op een van ons of op ons allebei gaat lijken.

Een paar dia’s later staat Casper er met zijn ouders op. Het is een dia waar niemand echt vrolijk op staat. Hij is gemaakt tijdens een huwelijksfeest van zijn grootouders. Casper kan het zich nog goed herinneren en vertelt er over. ‘De dag voor het feest werd ik stevig geboend. Ik voel nog steeds de snij­dende pijn achter mijn oren van de borstel die ze gebruikte. Mijn moeder had voor mij nieuwe kleren gekocht: een donker­bruine, afgrijselijke ribbroek met een camelkleurige blouse en een bruinroodgeblokte spencer.’ Je kon de walging in zijn stem horen. ‘Mijn haren werden strak in een scheiding gekamd met behulp van zo’n stalen kam. Ik kan de punten nog voelen op mijn hoofdhuid.’ Acht jaar oud is hij op de dia. Zijn ouders waren nog heel erg jong toen hij geboren werd, net afgestudeerd, en het was dus ook niet echt de bedoeling. Je zou kunnen zeggen dat hij een ongelukje was. Pas tien jaar later zijn er nog meer kinderen gekomen, want zijn ouders besloten toen pas dat ze toch nog wel meer kinderen wilden. Eerst kwam de tweeling Marlyke en Erik, later nog Annelie en Krystel. Toen Marlyke en Erik net waren geboren werden zijn ouders iets vrijer in hun doen en laten, vooral in hun opvoe­dingsmethode, en bij Annelie en later bij Krystel nog meer, maar ze zijn nooit de ouders geworden die hij graag had ge­wild. Ondanks dat hij kon krijgen wat zijn hartje begeerde, waren zijn ouders er nooit voor hem geweest toen hij opgroei­de, toen hij ze nodig had. Liefde konden ze hem niet geven. Hij, en later zijn broertje en zusjes, werden door een kinderjuf opgevoed. Zijn ouders werkten beiden fulltime, want ze waren allebei goed opgeleid en zijn moeder wilde dat niet voor hem opgeven. Toen Marlyke en Erik net waren geboren, heeft ze even iets minder gewerkt, maar dat was maar voor zeer korte tijd. Veel later, toen Annelie en Krystel er waren, is zijn moeder aanzienlijk minder gaan werken, maar toen was het voor hem al veel te laat. Gelukkig heeft hij al die jaren een lieve kinderjuf gehad die er keihard voor gestreden heeft dat zijn ouders hem niet naar een kostschool in Den Haag zouden sturen. Daar is hij haar nog altijd erg dankbaar voor en misschien is dat ook wel de reden dat ze nog steeds contact met elkaar hebben. Wat dat betreft heb ik toch wel een veel leukere jeugd gehad. Mijn ouders zijn dol op mij en Tim, mijn kleine grote broertje van 1 meter 90 die zes jaar jonger is. Mijn ouders hebben er lang over gedaan om Tim te krijgen. Mijn moeder vertelt wel eens dat ze graag een groot gezin had willen hebben, maar dat het niet zo heeft mogen zijn. De dokter raadde haar, na de geboorte van Tim, toch dringend aan dat ze het voor haar gezondheid bij twee kinderen moest laten.
De volgende dia is er weer eentje van mij. Ik heb een klein jongetje aan mijn hand en dat is onmiskenbaar Tim. Zo te zien voel ik me echt zijn grote zus. We stralen allebei en zijn lekker bruin gekleurd. Zo te zien is de foto op het strand gemaakt. Op de voorgrond staat een jonge golden retriever met zijn snuit vlak voor de lens. We moeten er om lachen, want hij heeft wel een hele brutale uitstraling. Het is Boris. We hadden hem op dat moment net een paar maanden. Ik ben echt dol op die hond geweest en heb tranen met tuiten gehuild toen hij overleed. Casper heeft hem maar heel even gekend. Vlak nadat wij iets met elkaar kregen is Boris dood gegaan. Het heeft heel erg lang geduurd voordat ik er echt overheen was. Hij is per slot van rekening meer dan tien jaar mijn beste vriend geweest. We deden alles samen. Waar ik naartoe ging, ging hij naartoe. En andersom ook. Als hij naar de dieren­arts moest – waar hij overigens een pesthekel aan had – ging ik met hem mee. Vooral als klein meisje moest ik altijd zijn pootje vast houden. Ik moet in mezelf grinniken, want ik zie het weer helemaal voor me en nu snap ik ook ineens waarom mijn moeder zich omdraaide en het klonk alsof ze hikte. Mijn moeder moest gewoon haar lachen inhouden. Ik zie hoe ie­dereen naar me kijkt. ‘Mogen we niet mee genieten?’, vraagt Casper aan me. Ik haal mijn schouders op en knik. Ik vertel ze wat ik net dacht. Casper buigt zich voorover naar de tafel. Er staan allemaal lekkere dingen op en als er iemand dol is op lekkers dan is hij het wel. Hij neemt een handje chips en gaat weer terug in zijn oude positie zitten. Ik vlei me tegen hem aan en hij legt zijn arm om mijn middel.
Dan komt er weer een dia van Casper. Hij is er al een stukje ouder op. Zijn ouders hebben zo te zien een lange tijd geen foto’s van hem gemaakt. Hij is een jaar of veertien. Terwijl zijn gezicht al behoorlijk onder de puisten zit gaan zijn broertje en zusje voor het eerst naar de basisschool. Op de dia brengt hij ze naar school. Ze dragen allebei een rugzakje. De ene een roze, de andere een blauwe. ‘Ik kan me nog herinneren dat Erik ook graag een roze rugzakje wilde, maar mijn moeder wilde er niets van weten. Een jongen moest een blauw rug­zakje hebben; die liepen niet met een roze. Roze was echt iets voor meisjes. Kwáád dat hij was! Hij liep helemaal rood aan en begon te stampvoeten. Marlyke stelde hem nog voor om te ruilen en daar was hij super blij mee geweest, maar onze moeder wilde het echt niet hebben. Erik is er nog heel lang boos over geweest. Hij wilde dan ook maar een meisje zijn als hij dan wel een roze rugzakje mocht.’ Ik zie hoe Casper een glimlach rond zijn mond krijgt als hij dit vertelt en hij kijkt ons allemaal aan. ‘Gelukkig is het allemaal nog goed gekomen met Erik’, grinnikt Sven. ‘Hij is nu helemaal van het roze en meisjesachtige af.’
‘Hoe oud is de tweeling nu precies? Ze zullen wel tweeën­twintig zijn zo’n beetje of niet?’ Casper knikt naar hem. ‘Binnenkort worden ze drieën-twintig. Annelie wordt negentien en Krystel is net zeventien geworden.’ Als alle dia’s geweest zijn, valt het stil. Laura staart voor zich uit. Ze heeft maar weinig dia’s meegenomen en vertelde er eigenlijk niet zo heel erg veel bij. Het lijkt wel of ze niets over haar verleden kwijt wil. Ik zou bijna denken dat ze iets te verbergen heeft. Ik mag haar niet, maar aangezien ik Sven wel heel erg graag mag, moet ik me daar dan maar overheen zetten. Casper heeft al een paar pogingen gedaan om ergens met haar over te praten, maar tot nu toe wilde het niet echt lukken. Hij kijkt op zijn horloge: tien uur. Lars zou ook nog even komen om iets met ons te bespreken, maar het lijkt er op dat dat niet meer zal gebeuren. Jammer. Het valt me een beetje van hem tegen. Dan gaat de telefoon. ‘Daar zul je hem hebben’, zeg ik tegen Casper. ‘Hij is vast de tijd vergeten.’ Cas­per neemt de telefoon op met zijn voor- en achternaam. Hij kan soms zo verschrikkelijk serieus zijn. Ik hoor hoe hij praat met een rollende „r.

Toen ik hem net leerde kennen was het heel erg, maar naar­mate we langer bij elkaar waren vervaagde dat; uiteindelijk stopte het zelfs en daar was ik maar wat blij om. Tegenwoor­dig gaat hij het weer meer doen, maar dat komt natuurlijk ook wel door zijn baan. Hij gaat alleen nog maar met hoogopge­leide mensen om. Misschien is het wel een uitgekauwd cliché hoor, maar voor zover ik weet praat iedereen in dat wereldje met een rollende „r. Ik heb er een pesthekel aan, maar waarschijnlijk heeft Cas­per niet eens door dat hij er weer mee begonnen is.
‘Ja, met Lars’, hoor ik van een afstandje door de telefoon. ‘Ik ben iets later. Er is van alles tussengekomen. Vinden jullie het goed als ik er over een halfuurtje ben?’ Casper legt zijn hand over de hoorn. ‘Lars vraagt of het goed is dat hij over een half­uurtje nog komt. Er is iets tussengekomen.’
‘Hij zal wel ergens een meisje opgeduikeld hebben’, grapt Sven.
‘Ik vind het best. Ik weet niet hoe het met jullie zit?’ Hij voelt dat Laura aan zijn mouw trekt. Ze schudt nee. Waar­schijnlijk wil ze naar huis. Ze weet het altijd te verpesten. Sven en ik knikken dat het wel kan, dus zegt Casper tegen Lars dat het wel uitkomt. Laura heeft dus pech gehad; dan moet ze of wachten of vast naar huis gaan. Het laatste zal ze toch niet doen, dus moet ze wachten tot Lars is geweest. Ik zie hoe Lau­ra een vernietigende blik naar Sven stuurt. Hij verdient eigen­lijk wel iets beters, vind ik. Maar ja, wie ben ik? Ik kan aan Svens gezicht zien dat hij er wel een beetje van baalt en ik geef hem groot gelijk dat hij er niet op ingaat. Normaal gesproken krijgt Laura haar zin en gaan ze eerder weg.

Een halfuur later komt Lars met een verhit gezicht binnen­lopen en met een zucht ploft hij op de bank neer. ‘Ik dacht vandaag echt het perfecte meisje gevonden te hebben. Hele­maal mijn type: lief, mooi, aardig, slank, assertief. Het kon niet mooier. Ik zeg kón, want er was één – redelijk groot – pro­bleem, ze heeft al een vriend en niet zomaar één. Een boom van een vent. Ik stond echt net met haar te praten, toen hij me waarschuwde dat ik moet uitkijken dat ik hem niet tegen zou komen op straat. Wist ik veel dat ze al bezet was. Het kostte me moeite om hem uit te leggen dat hij er niets achter moest zoeken en dat ik alleen maar met haar aan het praten was; uit belangstelling. Ik hoop maar dat hij het geloofde.’ Lars kijkt zo beteuterd dat Casper en Sven tegelijkertijd in de lach schieten. Dat is echt weer iets voor Lars. Hij kan soms toch zo verschrikkelijk naïef zijn. Zeker als het om vrouwen gaat. Hoe die ooit aan een vrouw moet komen … ik zou het echt niet weten hoor. Waarschijnlijk vindt zijn toekomstige vrouw hém en niet andersom.
‘Balen voor je jongen. Moet je maar weer opnieuw op zoek. En jou kennende, ga je dat ook zo snel mogelijk weer doen’, zegt Casper tegen hem.
‘Ja, lachen jullie maar, echt leuk is het niet. Ik ben dit keer niet op zoek naar een vluggertje. Binnenkort word ik dertig en ik heb nog steeds niemand. En als ik jullie zo zie’, hij kijkt Casper en Sven aan, ‘wil ik ook wel eens iets vast. Ik heb er genoeg van om, afgezien van de zaterdagnacht, elke nacht al­leen in mijn bed te slapen. Ik heb nu ook wel eens behoefte aan warmte en liefde in plaats van platte seks.’
Ik heb een nogal rake opmerking op het puntje van mijn tong liggen, maar als ik zie hoe Lars kijkt, slik ik hem toch maar in. Zo te zien meent hij het. Zijn ogen staan dof. Alsof hij verdrietig en eenzaam is. ‘Waarom schrijf je je niet in bij een datingbureau? Er zijn heel veel mensen die dat doen. Mis­schien vind je daar wel de vrouw van je dromen’, begint Cas­per. ‘Ik ken een aantal mensen die elkaar zo gevonden hebben en deze mensen zijn erg gelukkig met elkaar.’ Lars trekt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet, hoor. Zijn dat mensen die je buiten je werk kent? Je bent natuurlijk wel echtscheidingsadvocaat en als dat dan weer mensen zijn die elkaar via een datingsite hebben leren kennen, heb ik er weinig vertrouwen in.’ Hij lacht er gelukkig bij en geeft mij een knipoog. ‘Ik ben gewoon niet het type om dat zo te doen. Ik kan me voorstellen dat het voor sommige mensen werkt, maar voor mij? Wie weet wat ik er allemaal tegenkom.’
‘Nou …’, zegt Sven, die het opneemt voor Casper, ‘misschien kom je er wel de vrouw van je dromen tegen. Wat dacht je daarvan?’ Er valt een stilte. Lars kijkt voor zich uit terwijl hij in zijn handen wrijft. Dan schiet hij overeind. ‘Maarre… daar kom ik helemaal niet voor. Mijn verjaardag: daar kom ik voor. Ik wil een groot feest gaan geven. Ik word maar één keer dertig en dat wil ik groots gaan aanpakken. Ik heb het geld ervoor en ik heb op dit moment nog niemand om rekening mee te houden. Dus ik kan nu nog even flink uitpakken met geld. Wat vinden jullie ervan?’ Hij kijkt iedereen aan.
‘Ik vind het een geweldig goed idee, Lars! Echt hartstikke leuk’, roep ik een beetje te enthousiast misschien, maar Cas­per en Sven zeggen hetzelfde. Laura reageert zoals gewoonlijk bijna niet, maar zegt nog wel dat als hij dat wil doen, hij het vooral moet doen, maar zij vindt het zonde van het geld. Lars gaat er niet op in.
‘Nu alleen nog even kijken wanneer, wat en waar ik het ga doen. En vooral wie ik allemaal ga uitnodigen. Jullie zijn na­tuurlijk allemaal uitgenodigd.’ Hij steekt zijn tong iets uit. ‘Goh’, zeggen we tegelijk. ‘Wat aardig van je. Natuurlijk zijn wij uitgenodigd! Zeker als we je moeten helpen. Je denkt toch zeker niet dat we dat voor niets gaan doen?’ Hij kijkt een beetje beteuterd. Nou, dat had hij kunnen verwachten. ‘Heeft iemand een idee waar we het kunnen vieren? Een leuk zaaltje op het oog misschien?’
Ik zit te denken of ik misschien zelf iets weet, maar ik kan nergens opkomen.
‘Ik weet iets.’ Sven springt op. ‘Ik ben al eens een keer bij een tent hier verderop geweest. Net de stad uit. Super gezellig. Je kunt er de grootte van de zaal kiezen, dus afhankelijk van hoeveel mensen je uitnodigt. Het maximum is alleen twee­ honderd personen, maar ik ga er vanuit dat je er niet zóveel gaat uitnodigen.’
‘Nou … ik wilde eigenlijk …’
‘Wát?’, zegt Casper. ‘Veel meer mensen uitnodigen? Ja, dat zal wel. Zoveel vrienden heb je niet eens, man.’ Zo, denk ik: die krijg je even weer terug. What goes around, comes around.
‘Aan hoeveel mensen zit je in totaal te denken Lars?’, vraagt Casper. Lars telt op zijn vingers.
‘Ik zit te denken aan vijftig à zestig man. Misschien iets meer. Misschien iets minder. Ik zal het moeten opschrijven.’
‘Als je wilt, kunnen we morgen even gaan kijken of de zaal iets voor je is’, zegt Sven en hij pakt zijn biertje van tafel. Ik zie Laura met een ruk omhoog kijken. Die is daar niet blij mee! Maar ze zegt niets. Dat had ik niet verwacht. Even blijven mijn ogen op haar gericht; het lijkt alsof ze treurig kijkt. Nee, dat moet ik verkeerd zien. ‘Ik heb voor morgen niet echt iets gepland, dus dat kunnen we best wel even gaan doen. Alleen even kijken hoe laat ze precies open zijn, maar dat kunnen we zo navragen.’ Lars kijkt vluchtig op zijn horloge. Inmiddels is het al behoorlijk laat.
‘Het wordt tijd om er vandoor te gaan. Jou spreek ik mor­gen nog’, hij wijst naar Sven, ‘en jullie spreek ik vast ook nog wel voor die tijd’, en kijkt naar de rest van ons. Hij staat op en trekt zijn jas aan en wanneer hij bij de deur staat, zwaait hij. ‘Ik ga, tot de volgende keer maar weer luitjes.’ Hij laat ons verbluft achter.
‘Lars gaat nooit als eerste weg. Meestal moeten we hem er­uit gooien.’ Casper en Sven kijken elkaar aan. Ik loop maar even naar de keuken om het één en ander op te ruimen. Ik roep Casper vanuit de keuken en vraag of hij me even wil helpen. Ik zie dat Sven en Laura ook opstaan. ‘Misschien moeten wij er ook maar vandoor gaan’, hoor ik Sven zeggen, ‘het is al laat.’
Als ze even later weg zijn en alles is opgeruimd, liggen Cas­per en ik in bed nog even na te praten over de avond. ‘Lars zag er inderdaad uit alsof hij het meende wat hij zei over een vriendin. Misschien is hij toch wel wat eenzamer dan wij den­ken.’ Ik wrijf over Caspers arm. Hij schraapt zijn keel. ‘Ik vraag me af hoelang hij er al zo over denkt, hij heeft het er nooit eerder over gehad. Ook niet met mij alleen tijdens een man­nenavond. Zo ken ik hem helemaal niet.’
‘Misschien is hij toch wat gevoeliger dan wij denken’,zeg ik en klik het nachtlampje uit. ‘En nu is het tijd om te slapen.’ Ik geef Casper nog een zoen en draai me om.
Dan bedenk ik me dat ik hem nog wilde spreken over het strand.
‘Casper’, fluister ik hem toe en ik draai iets bij. ‘Casper, ben je nog wakker?’ Blijkbaar is hij al in dromenland, want hij rea­geert niet op mijn vraag. Nou ja, dan morgen maar en ik draai me weer terug op mijn zij.

Annabel schrikt van de hoorn van de boot die nu de haven komt binnenvaren. Het geluid brengt haar terug in de wer­kelijkheid. Een koude rilling schiet over haar lichaam en ze wrijft over haar armen. Het is tijd om verder te gaan voordat ze teveel afkoelt. Dan kan ze opnieuw haar spieren warmlo­pen. Ze heeft nog een hele dag voor de boeg en die wil ze niet nu al verpesten. Ze rent over het strand naar het monument en van daar loopt ze over de dijk, langs de strandtent, rich­ting het kleine dorpje iets verderop. Het heeft zo’n grappige naam. Ze kan er even niet op komen, maar het heeft dezelfde naam als een grote plaats in Zwitserland.
Een paar meter verder, als ze eenmaal aan het rennen is, weet ze al niet meer waar ze over aan het mijmeren was. De wind waait langs haar hoofd en in haar gezicht, maar ze voelt het niet. Ze geniet.

Vier

Sven schiet overeind; alweer een nare droom. Hij hijgt en aan de zijkant van zijn hoofd glijden zweetdruppels naar bene­den. Zijn hoofd voelt alsof er een strakke band om getrokken wordt. Hij heeft de laatste tijd steeds meer last van nacht­merries. Elke keer ziet hij weer dezelfde twee armen die naar hem uitstrekken, zoekend naar hulp, smekend en hoe hard hij ook zijn best doet, hij kan ze niet bereiken. Het is alsof iets hem tegenhoudt, hem gevangen houdt, maar hij weet niet wat. Het voelt als een zware keten die hem tegenhoudt. Hij ziet wazig een gezicht dat angstig naar hem kijkt. Hij kan het gezicht niet duidelijk krijgen. Hij ziet haar lippen bewe­gen, maar er komt geen geluid. Of hij kan het gewoon niet horen. Ze heeft iets bekends, maar hij kan het niet plaat­sen. Wist hij maar wie ze is, deze vrouw in zijn droom. Hij krabt zich op zijn achterhoofd, kijkt naast zich en vraagt zich af wie er nu weer naast hem ligt. Deze keer blijkt het een langharige blondine te zijn. Zeker opgeduikeld in zijn stam­kroeg, hij kan het zich niet herinneren. Hij heeft het gisteren na de zoveelste eenzame week op een drinken gezet en dat gebeurt steeds vaker. Gelukkig alleen maar op de zaterdag­avond, maar toch. Hij merkt dat hij steeds vaker drank nodig heeft om zijn geliefden te vergeten en elke zondag eindigt dat met een kater. Elke week een andere vrouw in zijn bed en elke keer moet hij weer een smoes bedenken om haar weg te krijgen. Gelukkig gaan de meeste vrouwen zonder te zeuren weg en laten ze hem verder met rust. Voor hen is het vaak ook maar voor één nacht, zonder verdere verplichtingen. Ge­lukkig maar; hij moet er niet aan denken dat er ook maar één vrouw is die hem zou claimen. Een vrouw die meer zou willen. Hopelijk laat deze zich ook gemakkelijk afvoeren. Hij besluit op te staan, zich te douchen en ontbijt te maken voor zichzelf en voor deze blondine. Hij kan zich haar naam niet eens herinneren, maar hij heeft wel het gevoel haar al langer te kennen, alsof ze wel in het algemene plaatje van de kroeg past. Hij moet toegeven dat ze er wel erg lekker uitziet; ze is waarschijnlijk begin twintig en dus eigenlijk te jong voor hem. Hij vraagt zich af wat vrouwen ertoe beweegt om één nacht met een man door te brengen. Uiteindelijk besluit hij: waarschijnlijk dezelfde reden waarom hij zijn bed één nacht met een vrouw deelt. Eenzaamheid, behoefte aan intimiteit. Erkenning dat je er mag zijn, ondanks het feit dat je alleen bent. Natuurlijk, eerlijk is eerlijk, soms gaat het hem alleen maar om de seks. Het gaat hem te ver om het elke keer met zichzelf te doen. Hij is een man die graag een handje gehol­pen wordt. Of moet hij misschien zeggen juist niet een hand­je geholpen wil worden, maar meer wil. Soms heeft hij er wel een speciaal gevoel bij, maar meestal zijn dat de momenten dat hij geen idee heeft in welke tijd hij op dat moment zit: het heden of het verleden. Soms fantaseert hij over Annabel en ziet hij haar gezicht voor zich. Hij heeft zich zelfs wel een keer versproken, maar door een zielig verhaal te verzinnen, kon hij zich eruit kletsen. Het meisje geloofde hem ook nog. Hij probeerde op dat moment zijn gevoelens uit te schake­len en het voor zichzelf ook goed te praten, want eigenlijk was het behoorlijk lullig. Over het algemeen is de seks gewel­dig, maar hij heeft uiteindelijk ook wel weer eens zin in een vrouw die hem niet alleen maar voor één nachtje nodig heeft.
Het is al weer een tijdje geleden dat een vrouw tegen hem heeft gezegd dat hij er goed uitziet. Tenminste, dat hij het gevoel had dat ze het ook echt meende en zich niet liet mee­slepen door het moment. Hij schudt zijn hoofd: ‘Kom op jongen, je bent nu aan het overdrijven, gedraag je nou maar gewoon als een man en doe niet zo emotioneel. Het wordt tijd dat je je erover heen zet, want ze is toch vrij duidelijk tegen je geweest.’ Glazig kijkt hij voor zich uit. God, wat mist hij haar. Elke keer als het hem bijna lukt om over haar heen te komen, gebeurt er wel weer iets waardoor hij haar verschrik­kelijk mist. Hij hoeft maar een vrouw tegen te komen die op haar lijkt en dan moet hij weer met pijn in zijn hart aan haar denken. Waarom heeft ze hem zomaar op straat gezet? Ze heeft zelfs niet uitgelegd wat er aan de hand was. Hij had in haar ogen gelezen dat ze helemaal niet blij met haar eigen beslissing was en hij hoorde haar hartverscheurend huilen toen ze de deur achter hem dicht deed. Waarom? Wáárom wilde ze dan niet met hem door? Hij schudt zijn hoofd en draait de kraan open. Hij voelt hoe het warme water over zijn rug stroomt. De warmte troost hem een beetje. Hij zou haar moeten vergeten, maar hij kan het niet. Hij houdt teveel van haar om haar zomaar op te geven. Hij moet het nog een keer proberen. Misschien moet hij haar maar eens bellen. Het zou zo fijn zijn haar stem weer te horen, maar hij is zo bang dat ze hem weer afwijst. Hij heeft er toen niets van begrepen en nu nog steeds niet. Nu, maanden later, kan hij er nog met zijn hoofd niet bij en het gemis wordt met de dag erger.
Hij hoort hoe de deur van de douche opengaat. ‘Zal ik bij je komen?’, hoort hij de blonde dame zeggen. Ze komt ach­ter hem staan en legt haar hand op zijn buik. Zijn lichaam reageert alsof het de normaalste zaak van de wereld is en zo hoort het natuurlijk ook. Alles werkt nog prima. Hij zucht. Het zal niet gemakkelijk worden van haar af te komen dus dan kan hij er maar beter ook van genieten. Hij draait zich om, zoent haar nek en hij hoort haar goedkeurend kreunen.

Vijf

Hijgend komt hij tot stilstand, eindelijk heeft hij het voor elkaar: hij is eens een keer sneller dan Lars en dat is op zich een hele prestatie. Lars is heel erg prestatiegericht en laat je niet zonder slag of stoot winnen. Sven kijkt naar zijn moun­tainbike; natuurlijk isdie smerig, want overal liggen modder­poelen. Ondanks het feit dat het nu al een paar dagen mooi weer is, zijn ze nog niet opgedroogd. Ach, het maakt hem niet zoveel uit. Hoe meer modder, hoe leuker en uitdagender het mountainbiken is. Achter zich hoort hij Lars kreunend en steunend omhoog komen. Lachend moedigt hij hem aan: ‘Kom op Lars, nog een klein stukje, daarna kun je bijkomen! Ik ben dit absoluut niet van je gewend jongen; normaal kijk ik naar jouw rug en moet je mij aansporen door te buffelen, maar geloof me jongen, ik vind het heerlijk dat het eens an­dersom is. Nou, schiet eens op schildpad.’ Sven schiet in de lach want Lars kijkt hem venijnig aan. Als hij boven is en een drinkfles in zijn handen houdt, zegt Lars: ‘Je kent het verhaal zeker niet van de schildpad en de haas? Of wel? De schildpad heeft het uiteindelijk met slim verstand toch van de haas ge­wonnen. Onthoud dat goed jongen, onthoud dat goed.’ Hij slaat zijn kameraad op de schouder. ‘Kom, we gaan verder. We hebben het er nog niet opzitten.’ Lars sprint er op zijn fiets vandoor. ‘Schiet je wel een beetje op? Ik heb zin in een biertje. Wie het laatste thuis is, moet betalen.’ Dat laat Sven  zich geen twee keer zeggen. Lachend springt hij op zijn fiets.

Ze hebben er inmiddels al een heel stuk opzitten. De rou­te is in totaal zo’n vijfentwintig kilometer lang en kent be­hoorlijk wat pittige klimmetjes. Dit is één van Svens favoriete routes, ondanks het feit dat hij altijd naar de rug van Lars kijkt. Naast de pittige klimmen, zitten er ook behoorlijke af­dalingen in en daar is Sven over het algemeen beter in. Lars denkt wat meer na over wat er kan gebeuren, maar Sven gaat gewoon en ziet wel hoe hij beneden komt. In het begin van de route word je meteen op de proef gesteld, dus kun je maar beter zorgen dat je spieren dan warmgedraaid zijn, want an­ders red je het niet. Een lange onverharde weg, die ook nog eens heel erg steil omhoog gaat, is niet altijd even leuk, maar ongelofelijk uitdagend. Gelukkig heeft zijn mountainbike genoeg versnellingen om op een goede en efficiënte manier boven te komen, maar het gaat ook wel eens anders en dan gaat je hartslag omhoog van de adrenaline. Het is een fijn gevoel als je achterband weg slipt door het zand. Als je niet goed oplet, gaat je fiets overdwars en ga je plat. Als je voeten dan nog vast zitten in de pedalen, word je toch niet zo heel gelukkig en kun je maar beter hopen dat de grond niet al te hard aankomt. De kunst is dus om je fiets recht te houden en letterlijk in het zadel te blijven. Als de heuvel eenmaal over­wonnen is, gaat het wat minder steil en rijd je verder over de onverharde weg langs de bosrand, naar de volgende pittige klim. Als je hartslag nog niet hoog genoeg was, dan heb je daar nog een nieuwe kans om hem op te schroeven. Als dat dan geweest is, komt er een aantal single tracks, korte steile klimmetjes en afdalingen waar maar één persoon tegelijker­tijd overheen kan. Je moet dan goed oppassen waar je rijdt en hoe je techniek is, want als je niet oppast lig je zo op de grond. Maar dat is ook wel heel erg uitdagend. Ze hoeven nua lleen nog maar een recht zandpad en daarna een stuk asfalt en dan zijn ze weer aan het begin van de route. Het was een lekkere training, die veel voldoening gaat geven, dat weet hij nu al. Lars rijdt alweer een stuk voor hem en is niet van plan om hem ook maar iets ruimte te geven om in te halen. Casper was ook zo prestatiegericht in alles wat hij deed, zoals moun­tainbiken, maar ook tijdens zijn studie. Dat konden ze op de universiteit al merken; hij was de beste van zijn jaar en is cum laude afgestudeerd. Casper is een vriend van hen beiden, nou eigenlijk was, want hij is een paar jaar geleden overleden bij een auto-ongeluk. Ze gingen tegelijkertijd rechten stude­ren en hebben toen een vriendschap voor het leven gesloten. Ze wilden ooit samen een advocatenkantoor beginnen met verschillende rechtsvormen. Helaas heeft het nooit zo ver mogen komen, maar hij had graag gewild dat Casper er nu bij zou zijn, ook al weet hij dat hij dan nooit een relatie met Annabel zou hebben gehad.

Twee uur later zitten Lars en Sven op een terras van de zon te genieten. De ober heeft hen net gevraagd wat ze willen drin­ken en Lars kijkt zijn vriend raar aan. ‘Hoezo neem jij geen biertje? Ben je ziek ofzo? Hállo! Weet je nog. Ik moet trakte­ren, want ik heb verloren. Alleen daarom zou je hem moeten nemen; die kans krijg je de komende tijd niet weer. Ik lag zo ver voor dat het eigenlijk niet meer mogelijk voor je was om te winnen. Als die stomme band van mij niet uit elkaar was gesprongen, had je nooit gewonnen dat snap je natuurlijk wel. Maar waarom wil je geen biertje? Heb je nog een kater van gisteren? Je had hem behoorlijk zitten. Misschien moet je vaker een kater hebben met het mountainbiken, dan win je nog eens wat,’ hij grijnst, ‘was het trouwens nog leuk met Evelyne? Jullie waren behoorlijk vroeg weg. Is het wat in bed? Ze lijkt me vrij wild om eerlijk te zijn. Ik zou het wel willen weten, maar die meid is behoorlijk verliefd op je. Je hebt haar hart toch niet gebroken, mag ik hopen?’
‘Ten eerste ben jij geen vrijgezel meer, dus mag je daar niet eens over nadenken. En ten tweede …’, hij valt stil, maar weet niet meer wat hij wilde zeggen. ‘Evelyne? Heet ze Evelyne? Ik wist vanochtend haar naam niet eens meer, Lars. Dat gezuip van mij moet nodig eens afgelopen zijn. Ik moet Annabel uit mijn hoofd zetten, ze is vrij duidelijk tegen me geweest. Ik kreeg niet eens de kans haar te overtuigen van mijn liefde voor haar. Ik krijg haar alleen niet uit mijn hoofd, ze is, ze is …’ Sven stopt even als de ober de drankjes komt brengen en Lars rekent af. Hij wacht tot de ober weer is weggelopen.
‘Weet je, ik begin zo onderhand een beetje gek van mezelf te worden. Ik voel me een watje. Ik kan alleen maar aan haar denken en ik heb daar eigenlijk helemaal geen zin meer in. Ik moet gewoon door met mijn leven en eventueel op zoek naar een andere vrouw, maar ze is gewoon een ideale vrouw. Mooi, lief, intelligent, innemend en een geweldige moeder.’ Hij droomt weg en ziet haar gezicht voor zich. ‘Ze heeft een kuiltje in haar kin als ze lacht en in haar ogen fonkelen dan duizenden kleine sterretjes.’ Zijn gezicht vertrekt. Hij kijkt Lars aan. ‘Ik wil haar helemaal niet vergeten. Ik wil haar te­rug in mijn leven. Er bestaat geen andere vrouw voor mij op deze wereld. Zij is de vrouw met wie ik gelukkig was en met wie ik gelukkig wil zijn. Nadat ik Laura verloor en zij Casper, hadden we allebei het idee dat we nooit meer iemand zou­den vinden. We vonden het geluk in elkaar weer terug. Ik mis haar verschrikkelijk. Ik hou van haar. Ik wil haar.’ Hij zet zijn glas met een klap op tafel en hij vloekt zachtjes.
‘Ten eerste, Sven, je bent altijd al een watje geweest en ten tweede kan ik het wel begrijpen. Vrouwen maken je gewoon weekhartig, haha’, hij slaat Sven hard op zijn knie, ‘en hou er nu maar over op, want anders gaan ze nog wat van ons den­ken.’ Hij knipoogt naar Sven, beweegt zijn wenkbrauwen een paar keer en begint hard te lachen. Sven geeft hem een trap tegen zijn been. ‘Idioot!’ Even valt er een stilte. Dan kijkt hij Lars fronsend aan. ‘Is die Evelyne echt verliefd op me?’
Lars knikt.
‘Shit. Ik heb haar behoorlijk bot behandeld vanochtend. Ik vond al dat ze behoorlijk plakkerig was. Als ik geweten had dat ze verliefd op me is, had ik het iets anders gebracht. Wat moet ze wel niet van me denken? Ze kwam bij me onder de douche staan en ik had nog zo’n zin in een rondje, als je be­grijpt wat ik bedoel. Dat heb ik natuurlijk ook gedaan! Maar toen we klaar waren met douchen heb ik haar nog een boter­ham gegeven en haar vriendelijk, maar dringend, gevraagd te vertrekken. Ze probeerde me nog om te praten, maar ik heb haar gezegd dat ze moest gaan en ik heb de deur voor haar open gehouden. Toen ze buiten stond, heb ik hem dicht gesmeten.’
‘Oei’, hoort hij Lars zeggen en hij ziet hoe hij probeert zijn lachen in te houden.
‘Nou fijn dan’, zegt hij nog en pakt zijn colaatje. Hij kijkt Lars aan.
‘Hoe zit het eigenlijk met dat meisje van jou, hoe heet ze ook al weer? Sanne? Begint er al wat te broeien? Hoe vaak zijn jullie nou uit geweest en waar was ze gisteren? Hoe ziet ze eruit? Is het een leuk meisje? Stomme vraag. Natuurlijk is ze leuk. En jou kennende zal ze er ook wel goed uitzien.’ Hij ratelt aan één stuk door en Lars kijkt hem lachend aan.
‘Zo, zo Sven, wat een spraakwaterval. Dat ben ik van jou niet gewend. Ik krijg niet eens de kans om te antwoorden. Ja, ze heet Sanne en het begint inderdaad steeds serieuzere vormen aan te nemen. We zijn al een paar keer uit geweest. Ik zal haar binnenkort aan je voorstellen. Ze was er gisteren niet, omdat ze op het dochtertje van een vriendin moest passen. Die vriendin moet voor haar werk een week weg en Sanne heeft aangeboden een paar dagen op haar dochter te passen. Het schijnt een schatje te zijn.’
Hij stopt even en wrijft met zijn vlakke hand over zijn wang. ‘Zeg, waarom bel je Annabel niet een keer? Verzin een smoes of iets dergelijks of vraag haar hoe het met Charlot­te gaat. Begin een gesprek, praat erover met haar. Misschien heeft ze wel spijt. Ik weet dat het alweer een tijd geleden is, maar probeer het in elk geval. Vertel haar wat je voor haar voelt. Geef nou niet op. Jullie hebben allebei de tijd gehad om er over na te denken. En jij bent er zeker niet beter van geworden. ‘Lars kijkt naar Sven die voor zich uit staart.
‘Wat als ze al iemand gevonden heeft? Of als ze me niet wil spreken? Dan zijn we terug bij af en zal ik me nog slechter voelen. Ik weet niet of ik er klaar voor ben om haar te spre­ken. Nu nog niet.’ Lars’ gezicht staat bedenkelijk. ‘Wat wil je nou eigenlijk? Hoe langer je wacht, hoe moei­lijker het wordt. Het is inmiddels al een paar maanden gele­den sinds jullie elkaar voor het laatst hebben gezien en toen hebben jullie niet eens echt met elkaar gesproken. Er gaat steeds meer tijd voorbij en voor je het weet zijn jullie straks oud en bejaard en zijn jullie nog steeds alleen en mijmeren jullie over hoe het had kunnen zijn. Denk er een paar nach­ten over na. Beslis dan pas wat je echt wilt. Opgeven of ervoor gaan.’ Hij klopt zijn kameraad op de schouder. ‘Jullie horen bij elkaar! Dat weet jij. Dat weet ik. En Annabel zou stom zijn als zij het niet weet’, hij staat met een ruk op uit de stoel, ‘en nu wil ik gaan. Ik heb het koud.’ Sven kijkt hem lachend na terwijl hij weg beent. Typisch Lars! Van de hak op de tak.